Boekbespreking: “Ethics and practice in science communication”, edited by Susanna Priest, Jean Goodwin, and Michael F. Dahlstrom

Universiteiten, pak aan die misstanden!

Door Marianne Heselmans, wetenschapsjournalist

Volgens de ‘oude’ opvatting doet een wetenschapscommunicator haar werk goed als de feiten kloppen en als het publiek de boodschap snapt. Volgens de auteurs van Ethics and practice in science communication vraagt goede wetenschapscommunicatie veel meer, zoals bewustzijn van de precieze rollen die onderzoekers in een besluitvormingsproces spelen.

Politici en bedrijfsleven, doe wat aan de opwarming van de aarde! Ga CO2 belasting invoeren, ga kolenmijnen sluiten, ga bomen planten. Bijna alle wetenschappers, persvoorlichters en andere communicatoren die zich bezighouden met het klimaat, zullen dit vinden.  De wetenschap heeft toch immers duidelijk aangetoond dat verdere zeespiegelstijging voorkomen moet worden.

Maar broeikasgassen kunnen we noch zien noch ruiken, rekenmodellen zitten vol onzekerheden en maatregelen kosten geld. Geen wonder dus dat er een forse tegenlobby is.

Natuurlijk kunnen universiteiten dan nog nauwkeuriger gaan meten, en nog meer uitleggen. Maar dat is niet de meest efficiënte weg naar actie, volgens de auteurs van Ethics and practice in science communication, een bundel van 14 essays rond nieuwe vormen van wetenschapscommunicatie. Ze gaan dan namelijk uit van het nog breed gevolgde ‘deficitmodel’: als je het publiek maar goed uitlegt hoe het zit, met cijfers en bewezen uitspraken, moeten ze je wel gaan geloven en gaan ze vanzelf ook wel het goede doen. Maar zo werkt het niet, volgens de  bundel, omdat het ten onrechte uitgaat van een passief publiek.

Besluitvorming
De essays – meest van Amerikaanse universiteiten –  promoten een ander model, namelijk eentje waarbij de wetenschapscommunicator een bepaalde, vooraf gekozen rol speelt in een besluitvormingstraject met belanghebbenden (bijvoorbeeld beleidsmakers, ondernemers, bank managers, omwonenden). Deze professionals en leken willen iets veranderen, en willen ook zelf kunnen beoordelen in hoeverre onderzoeksresultaten relevant voor hen zijn.

Vervolgens blijken in zulke ingewikkelde trajecten de rollen van wetenschappers en communicatoren behoorlijk uiteen te kunnen lopen. Gedurende een traject kunnen ze ook veranderen.

Flevoland
Bijvoorbeeld: een bioloog (hoogleraar, post-doc, communicatiespecialist, business developer, museummedewerker….) kan zich in een project richting duurzamere akkerbouw in Flevoland opstellen als reporter, adviseur, ‘honest broker’ of advocaat. Welke rol ze aanneemt maakt nogal wat uit, schrijft Jean Goodwin van de University of Wisconsin-Madison. Als reporter heb je de verantwoordelijkheid om de uitkomsten van studies zo helder te presenteren, dat de belanghebbenden er zelf met weinig moeite kritisch hun mening over kunnen vormen.

Als adviseur moet je jezelf verplaatsen in de groep, en de vraag beantwoorden tot welke actie(s) ze het best kan overgaan, waarna de groep ook nog andere adviseurs kan raadplegen. Als honest broker laat je zoveel mogelijk kanten van een issue zien. En als advocaat bepleit je (gevraagd of ongevraagd) een bepaald gezichtspunt of actie, gebruik makend van de regels van de retorica. Of belanghebbenden iets van je aannemen, hangt af van het vertrouwen wat ze in je hebben. Vaak vraagt dat om langere tijd commitment.

Believer
Voor het vertrouwen zou het goed zijn, schrijft Susanna Priest van de University of Washington, als wetenschapscommunicatoren zich vaker expliciet opstellen als ‘believer’, en zeggen: ‘Oké, er zijn die en die onzekerheden, maar voor mij zijn er nu genoeg redenen om tot actie over te gaan…’  Priest, gespecialiseerd in klimaatcommunicatie, grijpt zelfs ook in haar vrije tijd gelegenheden aan anderen bewuster te maken. ‘Zegt iemand in de supermarkt dat het weer zo regent, zeg ik: Ja, dat is de klimaatverandering, ook al weet ik dat dit niet exact klopt.’

Dramatisch
Om dialogen te stimuleren kunnen onderzoekers/communicatoren ook vaker meedenken over ‘narratives’, krachtige dramatische verhalen over een held. Of over wat ook hier in Nederland mis kan gaan bij zeespiegelstijging, of bij nog meer verlies van insecten. Die verhalen hoeven niet per se waar gebeurd te zijn (als maar duidelijk is of dit zo is of niet), wel moeten ze karakters hebben en een plot. Er is, voor goed gebruik, ‘poetische gevoeligheid’ nodig, aldus een van de essays hierover, wat zowel empathie als een skeptische houding vraagt.

Al met al geeft deze bundel universiteiten een nadrukkelijker rol in besluitvormingsprocessen, zoals richting een duurzamer economie. Dat lijkt me wel terecht, omdat actie urgent is. Maar daarmee roepen de essays ook interessante vragen op, zoals: Hoe combineren universitaire teams hun rol als opleider en inspirator, met die van ‘politiek’ actief zijn (er is ook een essay bij over de nu al zo grote werkdruk op universiteiten)? En: Waarin verschillen de universiteiten dan nog van ingenieursbureaus of actiegroepen?

In Nederland loste de Twentse milieuhoogleraar Arjen Hoekstra dit laatste dilemma onlangs elegant op in een interview met de Tubantia: hij wilde niet voor anderen zeggen dat ze minder vlees moesten eten (wat een actiegroep wellicht zou doen), maar zei wel dat hij zelf vegetariër was, omwille van het milieu.

Hoofd- en bijzaken
Hoe het fout kan gaan, leren tenslotte drie casestudies. Hieronder eentje rond een programma SEVE van 55 plantonderzoekers, een filosoof en 2 sociologen van 5 Canadese universiteiten. Hoewel deze onderzoekers ook claimden aan technologie overdracht en communicatie te doen, bleken de siteteksten rommelig en abstract. Er was niet uit te halen wat de teams deden voor regio’s, veredelaars of boeren, waarom hun werk belangrijk was en wat wel en niet lukte. Het was zelfs niet duidelijk wat de hoofd- en bijzaken in dit programma waren. Volgens de auteurs behoort het tot de basisethiek van de wetenschapscommunicator(en) om deelnemers dan kritisch te ondervragen, en te zorgen voor een site die de reflectie op het programma bevordert.

Casestudies als deze motiveren eigen praktijk(en) te verbeteren. Trainers zouden ze bijvoorbeeld kunnen gebruiken als basis voor rollenspelen. Hoe zou je zo’n programma met belanghebbenden wel goed  kunnen opzetten? Door de soms nogal hoge informatiedichtheid en verwijzingen naar theorieën is dit geen boek om even op de bank van A tot Z te lezen. Maar je kunt er wel de voor jou relevante essays uitpikken. En, als je ze combineert met voorbeelden en oefeningen, goed gebruiken voor studiebijeenkomsten.