Boekbespreking: “Don’t be such a scientist” van Randy Olson

Door Serah Hoeks, bioloog en wetenschapscommunicator

Don’t be such a scientist. Wees toch niet zo’n wetenschapper. De titel van dit boek zegt gelijk waar het over gaat. Wees niet die wetenschapper die alleen nadenkt en niets voelt; wees niet die wetenschapper die alles letterlijk neemt; wees niet die wetenschapper die data spuit in plaats van verhalen te vertellen; wees niet die wetenschapper die alleen maar kritiek levert; en wees vooral niet die wetenschapper die niet luistert naar communicatieadvies. Zulke wetenschappers, die hun wetenschappelijke houding zelfs meenemen in hun communicatiepogingen, daar is Randy Olson, schrijver van Don’t be such a scientist, duidelijk wars van.

In deze serie boekbesprekingen zijn al eerder twee van Olsons boeken besproken, namelijk Connection – Hollywood storytelling meets critical thinking en Houston, we have a narrative. Don’t be such a scientist is een eerder werk van hem. Sinds de eerste editie van het boek in 2009 uitkwam is er in de wereld van de wetenschaps-communicatie en Olsons visie daarop zo veel veranderd dat hij heeft besloten deze tweede editie te maken. Deze nieuwe editie was de aanleiding om ook voor dit boek een bespreking te schrijven.

De tweede editie is grotendeels hetzelfde als de eerste editie, maar de inleiding is vernieuwd en Olson heeft een hoofdstuk toegevoegd – een klaagzang over wetenschappers die niet naar zijn communicatieadvies luisteren. En hij heeft zijn voortschrijdend inzicht van de afgelopen negen jaar aan het eind van elk hoofdstuk toegevoegd.

Olsons belangrijkste nieuwe inzicht is duidelijk de ABT-structuur: een verhaal vertellen door eerst overeenstemming te benadrukken (en/And), dan tegenstelling of conflict te introduceren (maar/But), en vervolgens in te gaan op de consequenties of mogelijke oplossing daarvan (daarom/Therefore). Deze simpele structuur gebruikt Olson tegenwoordig in bijna al zijn verhalen en communicatie. Terwijl je het boek leest, kan je eigenlijk niet anders dan denken dat Olsons motto is ‘nothing in science communication makes sense, except in the light of ABT’.

Maar goed, afgezien van de algehele boodschap ‘gebruik ABT’ lijkt Olson in zijn titel (en hoofdstuktitels) vooral te vertellen wat je níét moet doen. Toch is dit boek een must-have voor iedere wetenschapper met interesse in communicatie. Het boek somt namelijk een hele berg valkuilen op waar je als wetenschapper in communicatieland zomaar in zou kunnen vallen. Bovendien geeft Olson naast sprekende voorbeelden van hoe het fout kan gaan, bijna altijd ook aan hoe het volgens hem wél moet.

Zeker in de eerste twee hoofdstukken geeft Olson een duidelijke structuur aan. Zo introduceert hij de vier-organentheorie. Deze gaat ervan uit dat bij communicatie vier organen betrokken zijn: hoofd, hart, onderbuik en geslachtsorganen. Wetenschappers zijn doorgaans alleen bezig in hun hoofd, met allerlei logica, legt Olson uit. Andere mensen zijn echter door de bank genomen meer bezig met hun hart (passie, geloof en emotie), onderbuik (intuïtie en instinct) en geslachtsorganen (want seks is altijd interessant). Dus, tipt Olson, zouden wetenschappers meer moeten inspelen op gevoelens.

So far so good. Behalve dat wetenschap vooral draait om data en logica. Het hoofd dus, in plaats van de lagere organen. Nou, niet helemaal, aldus Olson. Als voorbeeld noemt hij Watson en Crick, die op basis van intuïtie wisten dat er iets mis was met de DNA-structuur die Pauling had gepubliceerd. Uiteindelijk bewezen ze dit op basis van logica en data, maar het begon wel in de lagere organen.

Wetenschappers zijn dus niet helemaal zonder lagere organen. Ze hoeven ze alleen maar wat meer te gebruiken bij hun communicatiepogingen. Hiervoor geeft Olson een versimpelde scheiding, namelijk die tussen inhoud (voornamelijk het hoofd) en stijl (voornamelijk de lagere organen). Dit werkt hij gedurende de rest van het boek uit. Je kunt namelijk als wetenschapper best inhoud communiceren, als je die maar verpakt in de juiste stijl. En dat is waar verhalen vertellen (hoofdstuk 3), aardig gevonden worden (hoofdstuk 4), en luisteren (hoofdstuk 5) van belang worden.

Door het hele boek heen heeft Olson aandacht voor het grote dilemma waar wetenschappers voor komen te staan bij hun communicatiepogingen: eigenlijk wil je alle inhoud en nuances communiceren, maar dan luistert niemand meer. Niemand die nog interesse heeft in experiment 4 als je net al een droge opsomming hebt gegeven dan de eerste drie experimenten. Of denk aan een interview met een wetenschapper die constant reageert op interviewvragen met nuances. Die begint elk antwoord met ‘nee, dat zit net anders…’. Mensen vinden zo iemand onsympathiek of betweterig en luisteren dus ook niet meer naar hem/haar. Aan de andere kant, juist als je je verhaal interessant maakt, lukt het zelden meer om daar alle inhoudelijke overwegingen in op te nemen.

Dit dilemma blijft altijd bestaan, geeft Olson toe. Immers, als je iedereen alles kan vertellen wat je mede-wetenschappers kan vertellen, dan bestaat er geen onderscheid meer tussen wetenschappers en ‘het brede publiek’. Je zult dus altijd een stukje nuance en inhoud moeten opgeven zodat je de zaken die écht belangrijk zijn wel kunt overbrengen. Maar, betoogt Olson, dan moet je voorkomen dat je alleen saaie verwaterde inhoud uitzendt zonder dat iemand ernaar luistert. Dus, zegt hij, zal je ook je gevoelens moeten laten spreken, ook verhalen moeten vertellen, ook aardig moeten overkomen, en ook moeten luisteren naar de interesse van je publiek. Oh ja, en luisteren naar de mensen die zeggen dat je deze dingen moet doen – hier klaagt Olson vrijwel heel hoofdstuk 5 over vol.

Over het geheel gezien leest het boek prettig, maar soms maken de vele anekdotes het lastig leesbaar. Zo vond ik de introductie nogal onnavolgbaar doordat Olson vaak voorbeelden en namen aanhaalde die ik niet kende, en daar dan pagina’s verderop nog naar terugverwees. Meestal gaat het echter goed, waardoor je het idee krijgt dat je over Olsons schouder meekijkt naar zijn ervaringen en er met hem van leert. Hierdoor wordt de informatiedichtheid lager en is de bottom line van elke anekdote makkelijk te onthouden.

Don’t be such a scientist geeft een niet-wetenschappelijke maar zeer overtuigende visie op wetenschapscommunicatie. Daarom is het zeker een aanrader voor wetenschappers en wetenschappelijk opgeleide wetenschapscommunicatoren. Het toont een heel andere manier van wetenschaps-communicatie dan die je aan de universiteit leert – zeker als je een puur wetenschappelijke opleiding volgt – en mogelijk ook een effectievere. Zelf heb ik in elk geval nog zelden een niet-wetenschapper kunnen overtuigen met feiten, dus een poging met behulp van verhalen kan zeker geen kwaad.