Verslag SciComLab Meeting 26 juni 2017

Tweemaal per jaar komen we bijeen om te bespreken wat er gebeurt en moet gebeuren in en op het terrein van wetenschapscommunicatie, naar aanleiding van wat studenten in het wetenschapscommunicatie-onderwijs in Nederland hebben ontdekt en/of ontwikkeld.

De – min of meer – vaste kern werd dit keer aangevuld met Stephanie Helfferich, hoofdredacteur en projectleider public engagement van het Universiteitsmuseum, en Marianne Kroon, communicatieadviseur bij het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA.

Gedegen onderzoek – praktisch en toepasbaar
Bij het bespreken van de stand van zaken trapt Giovanni Stijnen (NEMO Science Center) af: “Ons doel is om burger te laten meedenken en –praten over de koers die wetenschap moet gaan varen en daartoe dient het Societal Interface Lab (SIL) een doel: hoe zetten we een echte dialoog op? De samenwerking met VU Amsterdam (Frank Kupper en Marjoleine van der Meij) en NEMO heeft een aantal formats en do’s & don’ts opgeleverd voor een dialoog. Zinnig onderzoek, en de studenten voldoen aan de eisen van gedegen onderzoek en ontwerp, maar NEMO zoekt nu nog naar de toepasbaarheid.’

Het ‘ombouwen’ van dit gedegen onderzoek naar een praktisch en werkbaar advies/document blijkt een vervolgvraag te zijn. Ook vorig jaar leverde het onderwijs van de TU Delft aardige ideeën op, maar was het niet in de vorm van een toepasbaar advies gegoten. Schrijven richting de praktijk om zo de inhoud praktisch en toepasbaar te maken maakt van het onderzoek meer dan alleen dat: het levert gedegen handvatten op die vervolgens kunnen worden gebruikt dan door andere partijen.

De suggestie is om in het onderwijs of na de rapportage van de studenten een reflectiemoment in te bouwen, en op basis van het onderzoek samen met de studenten te kijken naar de praktijk en toepasbaarheid. Dit vergt van de zijde van de opdrachtgever tijd en aandacht om de juiste vraag te formuleren voor diens einddoel: een vorm die werkbaar is voor de praktijk.

NEMO kijkt uit naar een presentatie over eventuele eye openers en vervolgens een uitwerking van het onderzoek in concrete stappen en vormen.

Belangrijkste leerpunten:

  • Meer samenwerken tijdens de processen.
  • Duidelijker maken aan het begin van het proces wat het einddoel moet zijn.

Up close & personal
De studenten van de TU Delft hebben Marianne Kroon ‘onder handen genomen’ om haar vraag ‘Hoe kunnen we praktijkgericht onderzoek hogescholen profileren en positioneren?’ goed te kunnen begrijpen en beantwoorden. Daartoe is zij stevig ondervraagd, zijn de studenten in gesprek gegaan met diverse lectoren, hebben zij zich verdiept in de materie en zijn vervolgens in sessies een aantal verdiepingsslagen gaan maken.

Marianne vertelt: ‘Interessant was de sessie waarin Maarten (van der Sanden) en ik zijn geobserveerd door vijf studenten terwijl wij de strategie ontwikkelden  en toetsten op haalbaarheid. Het was even wennen, maar geen moment ongemakkelijk. De uitkomst wordt een tool voor het nemen van strategische beslissingen en ik kijk uit naar de eindpresentatie. Maar wat me het meest is bijgebleven is hun andere wijze van nadenken over dit soort vraagstukken – die laat zien dat de studenten  in staat zijn om flexibel en organisch waar te nemen.’

Deze denktrant is kenmerkend voor de master studenten getuige ook de andere opdracht waaraan kort wordt gerefereerd. Voor iPabo en Techniek&Onderwijs hebben de studenten voor Anna Hotze (Lector Wetenschap & Technologie in het onderwijs, iPabo )  het ‘Docent Ontwikkel Team’ boek ontwikkeld en een nieuwe opzet voor een ‘Professionele Leergemeenschap’ om zo te helpen (toekomstige) docenten meer tweeweg te laten leren. Voor  Anna  ontwierpen de studenten ‘Skills Mania’ dat bestaat uit een spel en website om Anna te helpen besluiten te nemen over een flexibele opzet van de professionele leergemeenschappen die zij begeleidt.

Hoewel de studenten in de verslagen voor Marianne en Anna een ‘executive summary’ moeten opnemen, is ook hier een belangrijke vraag naar meer concretisering in de vorm van een helder advies en of handvatten voor ‘maandag’.

Voor het masteronderwijs voor de komende periode heeft Marianne Heselmans een case ingebracht rond het ‘World Soil Museum’ in Wageningen, waar een team van Delftse minor studenten zich op gaan storten in het kader van de minor Communication Design for Innovation.

Maarten gaat proberen om naast de VU ook andere hogescholen en universiteiten actief bij SciComLab te betrekken.

Verder is het idee vanuit SciCom NL om de vragen die voortkomen uit SciComLab in kleine/lokale ‘meet-ups’ te bespreken met WTC-professionals, studenten en onderzoekers. Eerder heeft SciCom NL een lokale ‘meet-up’ georganiseerd tijdens het ontwerponderwijs in Delft. Dit is zowel door de deelnemers als de studenten erg gewaardeerd. Daaruit zijn ook vervolgafspraken voortgekomen om samen te ontdekken, te ontwerpen of te onderzoeken.

Wvttk
Afsluitend filosofeert de groep nog over de hoe je studenten kunt laten voortbouwen op elkaars onderzoek (kennisdeling, een ook de Virtual Research Environment voor SciComLab komt weer ter sprake). Is het niet zaak hen juist te tonen wat er nog meer te koop is in het vakgebied, hoe ze gebruik kunnen maken van de kennis en kunde van hun medestudenten. Het gesprek gaat verder over ‘open source’ ontwikkelingen in Wetenschapscommunicatie. Aan de ene kant de bereidheid om kritisch te reageren op elkaars werk, of het nu gaat om onderzoek, ontwerpen of de praktijk. En aan de andere kant om ook ontvankelijk te zijn voor deze kritiek. In dat kader discussiëren we ook kort over de projectmanagement tool van Alex Verkade, maar er zijn tot op heden nog geen ervaringscijfers bekend. Wel leidt dit gesprek tot een aantal interessante weder- en vervolgvragen:

  • Is WTC onderdeel van het leerproces of een middel op zich? Is WTC niet een vakgebied dat juist ook ‘critique’ kan leveren op wetenschap en techniek ontwikkeling.
  • Communicatie is vakmanschap, maar wie stelt dan de ‘waarom’-vraag? Het gaat niet om het aanbieden van een keur aan middelen maar als vakman deelnemen aan en het beïnvloeden van het ecosysteem! Dat laatste is ook onderdeel van professionaliteit en vakmanschap en refereert weer aan de ‘critique’.
  • Wanneer vinden wij, in het licht van de bovenstaande vragen, ons onderwijs lerend genoeg? Welke ingrediënten hebben we nodig?
  • Wetenschap, technologie en samenwerking zijn aan elkaar verbonden. Maar hoe kunnen we dit dan organiseren? De huidige complexe problemen vragen om multidisciplinair en transdisciplinair denken en handelen. Daar is communicatie voor nodig, met en tussen alle stakeholders. Welke wetenschapscommunicatie verwondert, verandert, verscherpt? Dat is misschien de belangrijkste vraag die de komende 10 jaar aan wetenschapscommunicatie wordt gesteld.

We sluiten hiermee een mooie middag af met de behoefte om vaker bijeen te komen. De frequentie zal worden verhoogd naar vier keer per jaar en we kijken uit naar de volgende bijeenkomst in de herfst van dit jaar.

Een link naar een artikel in FD die het bovenstaande onderschrijft